Voertuigen
Voertuigen. Je kent ze wel. Het kan een boot zijn, een auto, een trein, een vliegtuig, een fiets, een metro, of iets anders. Je hebt ook de benenwagen, maar die is niet echt een voertuig.
Stoommachines
De belangrijkste uitvinding die bestond was de stoommachine. Nu konden mensen namelijk voertuigen maken. De eerste trein is uitgevonden in 1804. Die trein werkte toen dus nog op stoom. Het was ook niet echt de snelste trein. Hij kon maar 30 kilometer per uur, en dat vonden mensen toen hard! Nu vinden wij 300 kilometer per uur juist hard. Dat is 10 keer zo hard! Maar goed, dat was het eerste voertuig dat automatisch werd aangedreven. Vòòr de stoomtrein kwam namelijk de fiets, en daarvoor de benewagen, ook al telt dat niet echt als voertuig.
Fietsen
De fiets was toen een gigantisch gevaarte met een hele grote voorband en een hele kleine achterband. De banden waren trouwens van hout of ijzer, dus het reed ook nog eens niet zo lekker. De rubberen band is uitgevonden door John Dunlop. Maar goed, we vergeten nog één voertuig dat tussen de benenwagen en de fiets in zat. Het is de boot.
Roeiboten
Niet zo'n gigantisch stoomschip zoals de Titanic, nee, een kleine roeiboot, zonder motor. Ze gebruikten die boten in de vroege jaren van de mensheid. Laten we nu verder gaan naar de automatische voertuigen.
Automatische voertuigen
De eerste automatische voertuigen waren stoomtreinen, maar daarna kwamen voertuigen die op diesel werkten. Het waren auto's. Ze werden gemaakt door Karl Benz: Inderdaad, daar is het automerk Mercedes Benz naar vernoemd. Maar goed, hij maakte de eerste auto met een verbrandingsmotor. Die auto's gingen ook niet zo hard, maximaal 30 kilometer per uur. Voor de auto's moest iemand rennen (natuurlijk niet met 30 kilometer per uur, gewoon met 7 kilometer per uur, de bestuurders reden niet zo hard) met een vlag om te laten zien dat er een auto aan kwam. Iedereen was namelijk bang voor deze autos. Uiteindelijk werden de auto's weer beter en beter, en toen kwamen de auto's goedkoop op de markt.